De verkeerde ideeen over de WMO
Interessant artikel van Lilian Linders over de verkeerde vooronderstellingen over sociale cohesie en burenhulp als fundament onder de WMO. Geeft veel te denken over de wetenschappelijke onderbouwing van beleid waar we weer heel veel geld in stoppen.
Achter de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) schuilt een wereld van vooronderstellingen. Eén aanname is dat door de sociale cohesie in de buurt te versterken bewoners meer voor elkaar zullen zorgen. Een andere is dat er een tekort dreigt in het aanbod van informele zorg. Uit mijn onderzoek blijkt dat deze vooronderstellingen niet overeenstemmen met wat zich werkelijk afspeelt in de buurt.
Lilian Linders
Talja Blokland concludeerde het al in haar studie naar wat stadsbewoners bindt: ‘goede buren houden zich op d’r eigen’ (Blokland-Potters 1998, p. 325). Voor iedereen betekent de buurt weer iets anders en het is dan ook, aldus Blokland, een heilloze onderneming om te streven naar één buurtgemeenschap. Blokland was niet de eerste: al in de jaren vijftig liet socioloog Van Doorn (1955) zich kritisch uit over het idealiseren van buurt of wijk als gemeenschap.
Er vinden verscheidene ontwikkelingen plaats in onze samenleving die buurtcohesie belemmeren. Een gevolg van de toegenomen mobiliteit is dat familieleden en vrienden geografisch meer verspreid wonen. Er kwamen andere mogelijkheden voor sociale interactie, waardoor mensen voor hun sociale contacten minder zijn aangewezen op de nabije omgeving. Hierdoor ligt de uitwisseling van hulp tussen buurtbewoners minder voor de hand. Toch streeft de Wmo met het eerste prestatieveld ‘tegen de wind in’ naar meer binding in buurt of wijk. Beleidsmakers vermoeden dat als die cohesie eenmaal bereikt is, er ook informele zorg tussen buurtbewoners tot stand komt. Daarmee sluiten ze aan bij een lange traditie van beleid. Al sinds de jaren tachtig staat aandacht voor de wijk of buurt als plek waar zich sociale cohesie moet voltrekken, centraal (Lupi 2005, p. 99). De zorgzame buurt werd gaandeweg in dit beleid ingevoegd.
Dit ideaal van de Wmo was het startpunt van mijn onderzoek. Helpen bewoners elkaar inderdaad vanuit hun betrokkenheid bij de buurt? Doen ze dat vanuit een ‘wij-gevoel’ dat ze delen met andere bewoners? Wat voor argumenten geven ze zelf als ze aangeven waarom ze wel of geen hulp geven?
Het onderzoek, dat voor een belangrijk deel bestond uit diepte-interviews met bewoners, vond plaats in een buurt met ongeveer 2400 inwoners. Deze buurt kan worden gezien als prototype van een zwakke buurt: Drents Dorp in Eindhoven. Drents Dorp bevindt zich op basis van sociaal-economische kenmerken onderaan in de hiërarchie van buurten van de gemeente Eindhoven. Er spelen geen extreme situaties, zoals ernstige verpaupering, etnische spanningen of grote overlast van jeugd. Dit maakt de onderzoeksresultaten ook interessant voor andere zwakkere buurten.
Geïndividualiseerd buurschap
Uit de gesprekken met de bewoners kwam naar voren dat niemand van de geïnterviewde bewoners refereerde aan heel de buurt als bron van onderlinge hulp. In enkele delen van Drents Dorp, een hoek van een plein, een huizenblok, vond ik wel sporen van een gezamenlijk gemeenschapsgevoel, bijvoorbeeld als de bewoners refereerden naar ‘wij’ als ze spraken over hun deel van de buurt. Voor de meeste bewoners is sociale afstand ten opzichte van de buurtbewoners echter de gewenste situatie. Men hecht erg aan de privacy. Tot mijn verrassing betekent dit echter niet dat er dus ook geen zorgstructuren aanwezig zijn in Drents Dorp. Veel bewoners helpen elkaar wel degelijk, maar dan op basis van een-op-eenrelaties en niet omdat ze deel uitmaken van een buurtgemeenschap. Ook bewoners die zeggen niks met de buurt te hebben, geven hulp of zorg aan een medebewoner. Welke andere factoren spelen dan een rol bij het tot stand komen van burenhulp?
Belangrijk bij het verlenen of ontvangen van dergelijke hulp is het aanwezig zijn en de kwaliteit van een persoonlijke relatie (vgl. bv. ook Beneken Genaamd Kolmer 2007), vooral als het gaat om sociale steun of mantelzorg die uitstijgt boven het lenen van tuingereedschap of het spreekwoordelijke kopje suiker. Het gaat dus meestal om een-op-eenrelaties waarbinnen persoonlijk vertrouwen een belangrijke rol speelt. Dit betekent dat het buurschap voor een groot deel is geïndividualiseerd.
Het interessante is dat door het ontbreken van een sterk gemeenschapsgevoel en de bijbehorende sociale controle mensen het zich juist kunnen permitteren om hechte relaties aan te gaan in de buurt. Vooral het risico onderwerp te worden van roddel was vroeger een reden om angstvallig het evenwicht tussen hulpbetoon en privacy in stand te houden. Als bewoners minder op elkaar zijn aangewezen, is het kennelijk gemakkelijker om sociale nabijheid in een relatie toe te laten: juist de onderlinge onafhankelijkheid maakt intimiteit mogelijk (Blokland-Potters 1998). Binnen deze intieme relaties kan dan op een vanzelfsprekende manier ook (onderlinge) hulp of zorg ontstaan.
Isolement
Geïndividualiseerd buurschap heeft echter ook nadelen. Een ervan is dat kwetsbare groepen gemakkelijker buiten de boot vallen. Wie vanwege fysieke en/of psychische beperkingen aangewezen is op de buurt voor sociale contacten en om wat voor reden dan ook geen vanzelfsprekende relaties heeft in de buurt, kan in een sociaal isolement terechtkomen. Dat laatste gebeurt dan ook. Gestuurd door de cohesie-idealen van beleidsmakers is Drents Dorp de afgelopen jaren doelwit geweest van diverse interventies die gericht waren op het versterken van de buurtcohesie en de buurtparticipatie. Voorbeelden hiervan zijn projecten die de cohesie wilden versterken met behulp van de inzet van ICT, schoonmaakacties, activiteiten volgens de ‘straat aan zet’-methode en buurtpreventie. Al deze projecten kwamen tot stand in nauwe samenwerking tussen (sociale) professionals en buurtbewoners.
Uit mijn onderzoek bleek dat deze projecten zeer waardevol kunnen zijn voor de betrokken bewoners, maar dat er tevens nauwelijks kwetsbare bewoners mee worden bereikt. Bewoners die anders in het leven staan of die minder mondig zijn, voelen zich niet altijd vertegenwoordigd door de actieve en betrokken deelnemers. Als er buurtactiviteiten worden aangeboden die in principe aansluiten bij hun behoeftes, laten ze toch vaak verstek gaan omdat ze het moeilijk vinden om zelf ergens op af te stappen of omdat ze geen affiniteit hebben met het fenomeen ‘buurtactiviteit’. Voor mensen met verstandelijke en psychische beperkingen en voor kwetsbare ouderen spelen de buurt en de activiteiten die er plaatsvinden meestal nauwelijks een rol van betekenis (zie ook Verplanke e.a. 2008).
Latent buurschap
Een ander gevolg van de behoefte van bewoners om zich niet met elkaar te bemoeien en sociale afstand ten opzichte van de buurt te bewaren, is dat ze aarzelen om elkaar ongevraagd hulp te bieden. Dit wordt ook wel ‘latent buurschap’ genoemd (Mann 1954). Hoewel men best bereid is om hulp of steun te bieden als het nodig is, willen bewoners zich niet zomaar opdringen aan anderen. In plaats daarvan wachten ze af totdat er een beroep op hen wordt gedaan. Deze handelingsverlegenheid leidt niet altijd tot feitelijke hulp, waardoor er een onbenut reservoir aan hulpbereidheid ontstaat.
Deze in potentie aanwezige hulp of steun in de buurt is niet zomaar gemobiliseerd. Uit de casussen in mijn onderzoek blijkt dat er veel weerstand bestaat bij hulpbehoevenden of bij zwaarbelaste mantelzorgers om informele hulp te vragen of te accepteren. Men wil, als het even kan, niet terechtkomen in de rol van kwetsbare afhankelijkheid. De algemene opinie is: ‘Je kunt beter helpen dan geholpen worden.’ Veel mensen zullen een aanbod aan ondersteuning dan ook moeilijk accepteren, laat staan dat ze zelf om steun vragen. Een belangrijk knelpunt voor informele zorg ligt daarom niet zozeer in het aanbod van hulp, maar eerder in de vraag of in de acceptatie van hulp. Het fenomeen dat mensen het moeilijk vinden om hulp te vragen, noem ik vraagverlegenheid. Deze vraagverlegenheid is de tegenhanger van de eerdergenoemde handelingsverlegenheid. Het voorkomen van beide is fataal voor het tot stand komen van enige burenhulp.
Die vraagverlegenheid kan heel ver gaan. Hoe kwetsbaar mensen soms ook zijn, hoe eenzaam en hulpbehoevend ook, ze vallen soms letterlijk liever dood neer dan dat ze om hulp vragen. De bewoners geven vrijwel zonder uitzondering aan dat ze het liefst zo lang mogelijk alles zelf doen in plaats van dat ze een beroep moeten doen op anderen. Het gevoel anderen tot last te zijn, is pijnlijk. De heersende norm in onze samenleving is sterk zijn, en hulp vragen geeft ons het gevoel dat we kwetsbaar zijn.
Nabijheid
De Wmo is gericht op het ondersteunen en stimuleren van informele zorg. Willen deze doelstellingen kans van slagen hebben dan moeten de vooronderstellingen waarop ze gebaseerd zijn, juist zijn. De eerste vooronderstelling die ik hiervoor heb genoemd, betreft de gedachte dat via buurtcohesie onderlinge hulp tussen bewoners tot stand komt. Mijn bevindingen laten zien dat de fysieke nabijheid van de buurt weliswaar de gelegenheid biedt om elkaar te ontmoeten en elkaar wellicht ook sociale steun te bieden, maar dat dit weinig te maken heeft met buurtcohesie. Ik denk dat veel buurt- of opbouwwerkers uit eigen ervaring weten dat het al een hele toer is om iets van cohesie te bewerkstelligen tussen bewoners. Om ook nog te verwachten dat vanuit die cohesie sociale steun of mantelzorg voortkomt, is een brug te ver.
Nabijheid is echter wel belangrijk, juist voor hulpbehoevenden die op de buurt zijn aangewezen. Beleid dat is gericht op het ondersteunen of uitbreiden van informele zorg zou mogelijk meer succesvol zijn als het nabijheid scheidt van de buurt als gemeenschap. De buurt als focus voor sociale cohesie en informele zorg is gebaseerd op een te beperkte visie van wat mensen bindt. Interventies moeten daarom meer specifiek gericht zijn op kwetsbare bewoners en hun (potentiële) sociale netwerken, zonder associaties met de buurt.
Dat betekent echter niet dat het organiseren van informele zorg gemakkelijk is. Een groot vraagteken is vooralsnog hoe de vraagverlegenheid te overwinnen. Hiermee stuiten we op de tweede vooronderstelling: dat informele zorg vooral een probleem zou zijn van een afnemend aanbod. Dat idee moet worden bijgesteld, omdat vraagverlegenheid een grotere belemmering is voor het tot stand komen van informele zorg dan het vermeende gebrekkige aanbod. Het wegnemen van hindernissen die het stellen van de vraag bemoeilijken, kan mogelijk soelaas bieden. De kunst voor professionals is hulpbehoevenden steun te laten vragen aan hun naasten zonder hun behoefte aan onafhankelijkheid geweld aan te doen.
Het is daarbij opmerkelijk dat de redenen die mensen aandragen om geen hulp te vragen aan hun buren, vrienden of familieleden opvallend overeenkomen met de idealen van de Wmo. Ze hebben het allemaal over zelfredzaamheid, zelfstandigheid, niet afhankelijk willen zijn en niet kwetsbaar willen zijn. Het vocabulaire van beleidsmakers is kennelijk diep doorgedrongen tot burgers. Ook het jargon van sociale professionals is immers doorspekt met termen als ‘empowerment’, ‘eigen kracht’ en ‘oplossingsgericht werken’. Een hardnekkige bijwerking hiervan is dat hulpbehoevenden het soms bijna onoverkomelijk vinden een beroep te doen op hun medemens. Niet leunen maar steunen, is immers het adagium.
Lilian Linders is docent/onderzoeker bij Fontys Hogeschool Sociale Studies en promoveerde onlangs op ‘De betekenis van nabijheid. Een onderzoek naar informele zorg in een volksbuurt’.
Beneken Genaamd Kolmer, D.M., Family care and care responsibility. The art of meeting each other. Delft: Eburon, 2007
Blokland-Potters, T., Wat stadsbewoners bindt. Sociale relaties in een achterstandwijk. Kampen: Kok Agora, 1998
Doorn, J.A.A. van, Wijk en stad: Reële integratiekaders? Praeadviezen voor het congres over sociale samenhangen in nieuwe stadswijken, p. 60-85. Amsterdam: Instituut voor Sociaal Onderzoek van het Nederlandse Volk, 1955
Gunderson, M., Being a burden: Reflections on refusing medical care. Hastings Center Report, 34, p. 37-43, 2004
Lupi, T., Buurtbinding. Van veenkolonie tot Vinex-wijk. Amsterdam: Aksant, 2005
Mann, P.H., The concept of neighbourliness. The American Journal of Sociology, 60, p. 163-168, 1954
Verplanke, L., A.P.M. Veldboer, J.W. Duyvendak e.a., Onder de mensen? Een onderzoek naar mensen met beperkingen in vier stadsbuurten. Den Haag: Nicis Instituut, 2008